“He schatje”, riep hij uit de auto terwijl Marrit deze foto maakte. Ik keek om. Hij hing uit zijn raam. Knikte nog een keer, voor het gezichtsveld van zijn vrouw naast hem.
 
Proesten van het lachen wij. Vlak daarvoor waren we bij Grandcafé Z door een handpopvogel die vast zat aan een vrouw van middelbare leeftijd net iets te vaak, te lang, en te dichtbij gevraagd plaats te maken, omdat het koor daar moest staan.
 
Hierna probeerde ik de boot op te komen. Met hakken door een gaasrooster. “DIT LUKT NOOIT”, proeste ik van het lachen terwijl ik mezelf al met typemachine en al zag verdwijnen tussen wal en schip. “ZET EERST DIE KOFFER NEER DAN” giert Marrit nog, terwijl de schipper al te hulp schiet.
 
Met de vogel nog in het achterhoofd en de typemachine en hakken in het water nog op het netvlies gebrand strompel ik de boot op. Snel van het dek af, de trap af.
 
“Oh, wacht even”, roep ik tegen Marrit, die net met een iets te harde klap de typemachine het dek op lanceert. “Er komen nog wat mensen uit.” Met een grote glimlach begroet ik de eerste. De tweede. De derde. De vierde. De vijfde. De zesde.. “Hoeveel mensen passen er in deze boot?” gier ik, terwijl het beeld van dat hele peloton van clowns uit die ene autoreclame voor me zie. Het was alsof het halve cambuurstadion zich in die boot had gepropt. Bij elk persoon die er uit kwam werd het alleen maar hilarischer.
 
Zo veel mensen verder was de trap leeg. Poging 2 om naar binnen te gaan gebeurde natuurlijk nog lachend, want inmiddels was de slappe lach toch echt een feit. “KOMT NOG IEMAND AAN” lach ik terwijl de andere man de trap op komt. “Ik hoorde iets met koffer, dacht pak hem even aan”, zegt ‘ie. Vet aardig. Ik geef hem de koffer. “Ik zal achterstevoren naar beneden lopen nu”, meldt hij Marrit en mij, terwijl wij bovenaan de trap staan. “Als je dan naar beneden klapt, zijn wij in ieder geval het laatste wat je ziet hé?” lacht Marrit en ik hou het niet meer.
 
In de boot wordt een zaklamp vol in ons gezicht geschenen. “Pas op je hoofd”, zegt hij. “We hebben stroomuitval, maar ik breng verlichting”, grapt hij verder.
 
Eenmaal achter de tafel zittend kijken zeven mensen ons rondom de kleine tafel aan. “Nou, typ iets dan, hup, schudt het uit je mouw.” De zaklamp voert de druk op, de ogen prikken. Van ongemakkelijkheid begin ik maar nog meer te lachen. “Waar was je op 22 oktober om half tien”, lach ik nog tegen Marrit, om de verhoorsfeer duidelijk te maken aan de zaklamp. Het komt niet aan. “Jongens ik presteer niet goed onder deze druk”, huil ik van het lachen.
 
Ik geloof dat ik nog nooit zo veel gehuild van het lachen heb dit jaar als gisteren. Benieuwd hoe vandaag zal verlopen!

Wat vind je daar nou van?

Wat vind je daar nou van?
Vul hier je naam in